Aantal bezoekers vandaag: 3031

Drie breed door de bocht

19-9 - 13:52

We wisten het al in onze vooruitblik: de beste Goodwood Revival is altijd de volgende. Ook deze keer deed het mooiste historische evenement van het jaar die belofte gestand. Maar niet door alle nouveautés. Juist de kern van de Revival was mooier dan ooit: het ouderwetse racen.

Wat waren we lekker gemaakt door de stortvloed aan nieuwe programmaonderdelen en sterrennamen die de Goodwood Revival van 2012 tot de mooiste aller tijden zou maken. Een avondrace in de geest van de Goodwood Nine Hours uit de jaren vijftig, een enorme verzameling aan kostbare Silberpfeile die samen met hun tegenstanders uit die tijd een demonstratie op racesnelheid zouden geven, nóg meer period-attracties en nóg meer nostalgisch vermaak rond het circuit. Het kon niet op.

Toch waren het niet de extraatjes die de bezoeker opgetogen en tevreden huiswaarts deden keren. Nee, in de Revival van dit jaar ging het weer als vanouds om de kern van de zaak: racen met de mooiste auto’s op aarde, op de manier waarvoor ze gemaakt zijn. Hard maar fair dus. Het resultaat: meer spanning dan ooit en minder schade dan in voorgaande jaren.

Ja, natuurlijk moesten we slikken van het grote startongeluk in de F1-race met auto’s uit het 2,5-litertijdperk en van de onttakelde staat van bijvoorbeeld de Maserati Tipo 151 van Joe Colasacco of de Cobra van Martin Brundle. Maar die blikschade kwam in geen van de gevallen tot stand door onfatsoenlijk rijden, daar waar in vorige jaren de ambities van sommige coureurs weleens over het randje gingen. Zó gewild is een overwinning op Goodwood tegenwoordig immers.

Voortdurend stuivertje wisselen


En zo kon het gebeuren dat we in Lavant – met Madgwick en Woodcote wedijverend om de titel van spectaculairste bocht van het circuit – auto’s drie breed driftend het rechte stuk op zagen draaien, zonder dat het verkeerd afliep. Het hoogtepunt op dat vlak werd zoals gewoonlijk geleverd door de toerwagenjongens in de St. Mary’s Trophy, waar WTCC-ster Rob Huff onmogelijke dingen liet zien in zijn kleine Austin A40’tje, vechtend tegen de Jaguar MkI van Anthony Reid, terwijl Rowan Atkinson in zijn zwalkende MkVII plaatsmaakte aan de buitenkant.

Daarachter verwonderden we ons over de snelheid van de nog kleinere BMW 700, in handen van Jackie Oliver al waanzinnig snel, maar met Richard Shaw achter het stuur in de ‘owners race’ de absolute smaakmaker van het veld. Buitenom in Madgwick in een extreme drift twee tegenstanders inhalen? Shaw deed ‘t. In al zijn enthousiasme twee keer rondtollen en van de baan vliegen deed hij trouwens ook…

De meeste spanning zagen we in de twee laatste races van zaterdag – als race wellicht de beste twee van het weekend. Het contrast tussen de grote ‘big-banger’-sportwagens uit de Whitsun Trophy en de petiterige Formule Juniors uit de Chichester Cup kon niet groter zijn, maar ze leverden wel allebei een wedstrijd waarin de kopgroep voortdurend stuivertje wisselde. In de Whitsun Trophy was dat lange tijd een topvijf, bij de Juniors waren de plaatswisselingen in de topvier niet bij te houden.

De Sussex Trophy voor sportwagens van eind jaren vijftig was vervolgens op zondag als vanouds een waardig afsluiter. De D-types, DBR1’s, Lister Knobbly’s en Birdcages oogden niet alleen geweldig door hun vierwieldrifts door de bochten, maar aan de kop zagen we ook nog een briljant duel tussen de Sadler van Julian Majzub, de Lister-Chevy van Andrew Smith en de Lister-Jaguar van Tim Harvey, nadat Alex Buncombe in zijn Tojeiro-Jaguar een vroege voorsprong vergooide met een schuiver in Lavant. Pas aan het slot kwam Majzub in zijn Canadese brulbeest een beetje los, om af te maken wat hem vorig jaar niet lukte.

Verleden niet altijd weerspiegeld in heden


De RAC TT Celebration voor GT’s tot 1964 was traditiegetrouw het hoofdnummer van de zondag, maar de éénuursrace met rijderswissel was deze keer minder spannend – al blijven de 250 GTO’s, E-types en DB4GT’s een genot om in actie te zien. De E-type van Adrian Newey, met Martin Brundle als gastcoureur, was echter veel te sterk voor de concurrentie. Het is dan ook niet echt meer een gewone E-type, als je weet dat Newey de auto in de windtunnel van Red Bull zet om er het laatste onsje aerodynamisch voordeel uit te peuren.

Het technische F1-genie maakte het nog wel spannend door in de eerste ronde achterstevoren te gaan, maar een safety car en de kundige handen en voeten van Brundle zorgden ervoor dat de E-type in de tweede helft van de wedstrijd naar een comfortabele overwinning reed. Met in zijn kielzog een hele reeks andere E-types, en dat terwijl de 250 GTO in de jaren zestig nog rondjes om de Jaguar reed. Het laat zien hoe de verhoudingen in de historische racewereld zijn veranderd.

Hetzelfde zagen we gebeuren in de Goodwood Trophy voor GP-auto’s en voiturettes tot 1950. In die klasse regeren de weinig aerodynamisch gevormde ERA’s al jaren en hebben de almachtige auto’s van die tijd – de Alfetta’s en de vier- en zespitters van Maserati – weinig in de melk te brokkelen. De ERA’s zijn vandaag de dag nu eenmaal makkelijker op snelheid te krijgen en worden ook nog het beste geprepareerd. Dit weekend was geen uitzondering: de Britse auto’s monopoliseerden de top van de uitslag. In de Glover Trophy voor de F1’s uit het anderhalvelitertijdperk van ’61-’65 was het resultaat historisch verantwoorder: de Lotus 25’s van Classic Team Lotus heersten zoals Jim Clark dat destijds keer op keer deed.

In de race om de Richmond & Gordon Trophies lieten de Coopers intussen zien waarom een motor achter de rug van de coureur toch een beter concept is voor een monoposto, ondanks wat Enzo Ferrari lange tijd beweerde. De avondrace op vrijdag om de Freddie March Memorial Trophy was een bijzonder gezicht, met auto's die de schemering in reden, totdat het op de finish helemaal donker was, maar heel spannend werd het niet.

En de Nederlanders?


En de kleine Nederlandse delegatie? Hans Hugenholtz deed in twee races mee. In de RAC TT Celebration reed hij met de Ferrari 250 Drogo van DHG en Racing Team Holland naar een klassering in het middenveld, geholpen door ex-Indycar-ster Danny Sullivan. Hugenholtz was prominenter aanwezig in de Fordwater Trophy voor productiesportauto’s van midden jaren zestig. In zijn dikke Shelby Mustang GT350 nam hij het op tegen lichtvoetige MGB’s en Lotus Elan 26R’s. In de openingsfase wist hij op vermogen en met durf een paar plaatsen te winnen, maar daarna gingen Andy Newall in de Ginetta G10 en Martin Stretton in zijn 26R ervandoor. Newall verloor een ronde voor het einde een achterwiel, waardoor Stretton met de zege aan de haal ging. Hugenholtz hield de 26R van Sean Walker achter zich en promoveerde door het uitvallen van Newall naar de derde plaats.

Meer lauwerkransen voor Nederlanders werden er omgehangen na de Shelby Cup, de eenmalige race voor AC Cobra’s. David Hart was in de openingsfase ‘the man on the move’. Hij klom op naar de tweede plaats achter poleman Derek Hill in de machtige Cobra Daytona Coupé van Daniela Ellerbrock. En toen moest Tom Coronel – die op Zandvoort zo’n indrukwekkend historisch debuut meemaakte – nog achter het stuur plaatsnemen. Dat zag er veelbelovend uit!

Het liep net even anders, want Coronel had maar één oefenrondje kunnen doen op zaterdagochtend, even meerijdend met de kwalificatie voor de RAC TT Celebration. Goodwood is een moeilijker circuit dan menigeen denkt en het duurde zeker vier tot vijf ronden voordat Coronel in zijn ritme kwam. Maar toen waren de Cobra’s van Wolfe/Hall en Caron/Reid al ver vooruit. Zij streden om de overwinning nadat Kenny Bräck de Daytona Coupé al vroeg na de rijderswissel met Derek Hill aan de kant moest zetten. De strijd werd beslist in het voordeel van Rob Hall toen Reid de zwarte vlag kreeg voor een loszittende uitlaat. Daardoor werden Hart en Coronel toch nog gepromoveerd naar de tweede plaats.

Wisselend fortuin was er voor het Flying A Team van Jan Willem van Es. De Austin A40 van Rob Huff snorde weliswaar naar een indrukwekkende zege in de eerste race van de St. Mary’s Trophy, maar de zusterauto had tal van problemen, eerst met een kapotte koppakking in de kwalificatie, daarna met de benzinedruk. Martin Brundle’s race werd daardoor compleet geruïneerd. Na de tweede complete motorwissel – het herstelde geplofte blok van vrijdag werd weer teruggezet – kon Rae Davis de lichtblauwe A35 toch nog naar een zevende plaats rijden in de tweede race.

Max Werner, held van het weekend


Moeten we een held van het weekend uitroepen? Ja, dat doen we graag, want het is zo makkelijk. Een Duitser is ’t en Max Werner is zijn naam. Hij verdient al alle lof voor het feit dat hij in de afgelopen jaren de Ferrari 250 GT ‘Breadvan’ naar Goodwood bracht, maar zijn prestatie in de Brooklands Trophy voor vooroorlogse sportwagens overtreft dat met gemak. Ja, hij won de race na een mooi duel met de Talbot AV105 van Gareth Burnett. Maar, zo vertelde hij na afloop, hij was gewoon met zijn winnende Alfa Monza uit Duitsland naar Goodwood geréden.

Met andere woorden: met je kostbare Le Mans-racer uit 1933 en een tas met kleren een hele dag door Duitsland, België, Frankrijk en Engeland scheuren, even een race winnen en de volgende dag terug naar huis. Alsof je in 2091 in je Audi R18 e-tron quattro stapt om daarmee over de openbare weg naar een historisch festival te rijden. Voor wie het niet gelooft: de Nederlandse Goodwoodganger Harry Hoving kwam Werner onderweg tegen en maakte snel dit fantastische snapshot.

Morgen vertellen we meer over de sfeer in het paddock en de niet meer zo knusse cricket match op donderdagmiddag. Maar ook waarom de demonstratie van de Silberpfeile een grote teleurstelling was en hoe Dan Gurney voor één weekend president van de Verenigde Staten werd.






Auteur: Mattijs Diepraam  Fotografie: Mattijs Diepraam
0

Reacties (0) van bezoekers

Uw reactie:
Naam:
Email:
Bericht: